Schallebijters of Paardenbijters
Op 15 april werd in Deurze (Drenthe) een insectensymposium gehouden getiteld “Schallebijters of Paardenbijters” De toestand van de Drentse natuur door de ogen van insecten. De aanleiding van dit symposium was de afronding van een vierjarig onderzoek naar de insecten van het Nationaal Park Dwingelderveld. De provincie Drenthe, De Vlinderstichting, De Stichting Willem Beijerinck Biologisch Station (WBBS), De Stichting Bargerveen en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) presenteerden de resultaten van het onderzoek aan insecten in de provincie Drenthe.
Verder hield Natuurmonumenten een presentatie over de praktische toepassing van de kennis van de uitvoering van de waterberging in de Peizer- en Eeldermaden. De gedeputeerde Rein Munniksma ontving aan het eind van de middag twee rapporten over het onderzoek in het Dwingelderveld.
Tot slot nam ecoloog Joop Smittenberg afscheid van de provincie Drenthe na een loopbaan van 37 jaar.
Op de volgende pagina een kort bericht over de resultaten van het onderzoek.
Bericht uitgegeven door De Vlinderstichting op vrijdag 15 april 2011 Zie: http://www.natuurbericht.nl/?id=5900
Insecten vertonen tegengestelde trends. Dit blijkt uit resultaten van De Vlinderstichting en de stichting Willem Beijerinck Biologisch Station. Uit onderzoek in Drentse natuurgebieden blijkt dat libellen vooruit gaan, terwijl dagvlinders en loopkevers het zwaar hebben.
Insecten vormen de belangrijkste groep waarmee de toe- of afname van de soortenrijkdom kan worden vastgesteld. Afgelopen jaren is door De Vlinderstichting en de stichting Willem Beijerinck Biologisch Station (WBBS) in Drentse natuurgebieden gekeken naar hoe het staat met de biodiversiteit en hoe deze het beste kan worden beschermd. Uit de resultaten van het heidegebied Dwingelderveld blijkt dat het aantal vlinder- en loopkeversoorten de afgelopen twintig jaar is afgenomen en het aantal libellensoorten sterk is toegenomen. Deze trends passen bij de resultaten van de landelijke monitoring voor vlinders en libellen. Van loopkevers is de landelijke trend minder goed bekend, maar daarvoor wordt een vergelijkbare trend verwacht. Eén van de conclusies is dat een gunstig waterbeheer en behoud van variatie in het landschap de belangrijkste peilers zijn voor het behoud van soortenrijkdom in een natuurgebied. Daarnaast is de opname van gebieden in een goed werkende Ecologische Hoofdstructuur van belang voor behoud op de lange termijn.
Vlinders en loopkevers zijn blijkbaar gevoeliger voor het functioneren van de ecologische hoofdstructuur dan libellen. De meeste libellensoorten zijn erg mobiel, waardoor ze afstanden tussen natuurgebieden gemakkelijker kunnen overbruggen. Mogelijk dat herstel van waterkwaliteit ook een positieve uitwerking heeft gehad op de libellen, waarvan de larven in het water leven. Vlinders en loopkevers zijn afhankelijk van de samenstelling van vegetatie en bodemkwaliteit. Effecten van neerslag van stikstof vormt zeer waarschijnlijk één van de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de twee insectengroepen. Er wordt wel beleid gevormd voor de vermindering van deze stikstofdepositie, maar tot op heden blijven de resultaten hiervan uit. Hierdoor blijven extra beheermaatregelen in natuurterreinen noodzakelijk.
Tekst: Henk de Vries, De Vlinderstichting en Rikjan Vermeulen, WBBS
Bovenstaande resultaten staan in twee rapporten die opgesteld zijn door het WBBS en De Vlinderstichting: ’Loopkeverinvenstarisatie Dwingelderveld 2008’ en ‘Inventarisatie Libellen en Dagvlinders Dwingelderveld 2010’.